Het Pirotherm-systeem bestaat uit een isolerende mortel met ingewerkte isolatieplaten. Het systeem is ontwikkeld voor het isoleren en gelijktijdig afschot creëren op platte daken.

Voor platte daken, met een helling £ 11° (of 20 %) waarvan de dakvloer bestaat uit beton, cellenbeton, gebakken aarde, hout of staalplaat, kan de dakhelling en de thermische isolatie worden gecreëerd of verbeterd door het gebruik van het Pirotherm-systeem
In de Pirotherm-mortel kunnen isolatieplaten van geëxpandeerd polystyreen (EPS), van geëxtrudeerd polystyreen (XPS) ofvan polyurethaan (PUR) met variërende hoogte worden ingebed. Met het Pirotherm-systeem kan zo elke gewenste isolatiewaarde bekomen worden. Deze grondvlakken voldoen aan de voorwaarden beschreven in de EUtgb-leidraad "Isolatiematerialen als ondergrond van de dakafdichting" klasse D - toegankelijk voor lichte voertuigen en waarbij de afdichting beschermd is door betontegels of andere. Hierop worden losliggende, deel- of volgekleefde dakafdichtingen aangebracht.
Hellende daken met geprofileerde vezel-cementplaten (met een helling £ 20° (of 35 %)) kunnen gerenoveerd worden door het aanbrengen van wapening en de isolerende mortel (zonder isolatieplaten). Hierop worden deel- of volgekleefde dakafdichtingen aangebracht.

De afdichtingen dragen het CE-label of een nationale technische goedkeuring.
2. MATERIALEN
2.1. PIROTHERM-mortel
Dit is een lichte, isolerende mortel die op de bouwplaats in een aangepaste mengmachine wordt aangemaakt.
Samenstelling van de mortel :
De Pirotherm-mortel is beschikbaar in 2 leveringsvormen :
De belangrijkste eigenschappen van de Pirotherm-mortel zijn hier samengevat :
Eigenschappen
| Bepalingsmethode
| Criteria fabrikant
|
- volumemassa
| NBN B14-218
| |
droog (droging tot constante massa)
| 350 kg/m³ (+/- 10 %)
| |
schijnbaar (bewaring bij 20°C en 95 %RV)
| 435 kg/m3 (+/- 10%)
| |
bij het aanmaken
| 525 kg/m3 (+/- 10%)
| |
- druksterkte
| NBN B12-208
| > 0,8 N/mm²
|
- krimp (mm/m)
| NBN B14-217
| £ 5
|
- l -waarde
|
| |
l_U,i
| 0,12 W/mK
| |
l_U,e
| 0,14 W/mK
| |
- µ-waarde
| DIN 52615
| 8 tot 10
|
- brandreactie op de mortel | NBN S21-203 | A1 |
| EN 13501-1
| A2
|
2.2 . Isolatieplaatjes
Bij elk type isolatieplaatjes wordt de aan te bevelen afmeting weergegeven. In het geval daarvan afgeweken wordt, moeten de afmetingen voldoen aan volgende voorwaarden :
De isolatieplaatjes zijn drager van een CE-label met Keymark.
2.2.1. Geëxpandeerd polystyreen (EPS)
In diktes van 20 tot 350 mm, afhankelijk van de gewenste graad van thermische isolatie en eventueel van het verwezenlijken van een afschotlaag indien deze niet door de draagstructuur gerealiseerd is.
2.2.2. Polyurethaan (PUR)
Tweezijdig gecacheerde platen in diktes van 20 tot 140 mm, afhankelijk van de gewenste graad van thermische isolatie en eventueel van het verwezenlijken van een afschotlaag indien deze niet door de draagstructuur gerealiseerd is.
2.2.3. Geëxtrudeerd polystyreen (XPS)
In diktes van 20 tot 100 mm, afhankelijk van de gewenste graad van thermische isolatie en eventueel van het verwezenlijken van een afschotlaag indien deze niet door de draagstructuur gerealiseerd is.
2.3.1. Hechtingsprimer
Bij vernieuwbouw, voor de hechting van de isolerende mortel op de bestaande bitumineuze dakafdichting.
Bij nieuwbouw, voor de hechting van de isolerende mortel op het eventuele dampscherm.
De primer is vervaardigd op basis van een dispersie van synthetische, moeilijk verzeepbare harsen en is verenigbaar met bitumen, teer en gelakte of gemetalliseerde metalen en de Pirotherm-mortel
2.3.2. Bitumineuze koudlijm en primers
Bij de plaatsing van de dakafdichting waarbij primers en/of bitumineuze koudlijm gebruikt worden, dient nagegaan te worden in hoeverre deze producten, aangemaakt op solventbasis, verenigbaar zijn met de componenten van de isolerende mortel. In elk geval dient de leverancier van deze producten geconsulteerd te worden.
2.3.3. Mortelwapening
Bij de plaatsing van de isolerende mortel op bestaande golfplaten (tot helling van 35 %) zal een stalen verdeelnet voorafgaand op het storten van de mortel op het dakvlak aangebracht worden.
Kenmerken van het verdeelnet:
3. VERWERKING
De normale toepassingen van het PIROTHERM-systeem zijn beperkt tot daken boven ruimten met een binnenklimaatklasse I, II of III (voor de noodzaak en de keuze van het dampscherm zie TV 183 van het WTCB). Voor binnenklimaatklasse IV dient een aparte studie uitgevoerd te worden.
De helling van de draagconstructie en van het afgewerkte systeem bedraagt resp. voor platte daken met ingebouwde isolatie £ 11° (of 20 %), resp. voor hellende daken afgewerkt met geprofileerde vezelcementplaten £ 20° (of 35 %).
Voorafgaand aan de uitvoering moeten de dakvloeren gecontroleerd worden op hun stabiliteit in functie van de voorziene dakopbouw. Deze berekeningen moeten uitgevoerd worden volgens ENV 1991 tot en met ENV 1999. De berekeningen worden niet uitgevoerd door of voor rekening van de firma die het Pirotherm-systeem plaatst, tenzij uitdrukkelijk anders overeengekomen.
Indien er in de draagconstructie uitzettings- en bewegingsvoegen zijn, worden deze in de PIROTHERM-mortel doorgetrokken (b.v. opvullen met stroken EPS, XPS of PUR). Bij gefractioneerde ondergronden worden deze voegen aangebracht op de meest belaste plaatsen, zoals de kopse voegen van deze draagvloerelementen. De afdichting van de voeg geschiedt zoals aangegeven in TV 191 van het WTCB.
De voegen dienen zo uitgevoerd te worden dat de opvulelementen steeds omhuld zijn met de PIROTHERM-mortel.
3.1 Nieuwbouw
De isolerende mortel wordt, in een dikte van 10-20 mm met een dwangmenger, gespoten op de draag-constructie, dit zonder dampscherm voor klimaat-klasse I en II, waardoor droging naar binnen toe mogelijk is. Bij klimaatklasse III of in het geval een dampscherm aanwezig is, dient rekening gehouden te worden met het feit dat er nauwelijks droging naar binnen mogelijk is.
De platen polystyreen of polyurethaan, in verschil-lende diktes indien zij de helling moeten verwezen-lijken, worden in de mortel gedrukt waarbij tussen de platen onderling en tussen de platen en de opstaande elementen van de structuur een mortelvoeg gelaten wordt van ± 30 mm (dunne platen) tot ± 50 mm (dikke platen) zowel in de dwars- als in de langsrichting. Voegbreedte van de mortel (mm) = 30 + isolatiedikte (mm) /10.
De breedterichting der platen is bij voorkeur in de richting van de helling, dit om de helling gemakkelij-ker te kunnen realiseren. Onmiddellijk na plaatsing van de polystyreen- of polyurethaanplaten, worden de voegen opgevuld met PIROTHERM-mortel.
Op de isolatieplaten wordt vervolgens minimum 40 mm PIROTHERM-mortel aangebracht en afgestreken.
Aanwerkingen tegen opstaande elementen (opstan-den, dakkoepels) worden schuin naar omhoog afgewerkt tot 10 à 30 cm hoogte boven de afstrijklaag zonder speciale voorzorgen. Grotere hoogtes dienen afgewerkt te worden met isolatieplaten volgens de voorschriften van TV 191 van het WTCB.
Al deze fasen kunnen direct na elkaar worden uitgevoerd. Bij regen en vorst worden de werken stopgezet.
De afdichting wordt geplaatst volgens punt 3.3.
3.2 Renovatie
3.2.1 Op een bestaande afdichting
Het PIROTHERM-systeem wordt aangebracht op de bestaande afdichting, die voorzien wordt van de hechtingsprimer (al dan niet gedroogd) (§ 2.2.4). Eventuele blazen worden vooraf weggewerkt.
Het is duidelijk dat de mortel in dit geval ingesloten wordt tussen de bestaande en de nieuwe afdichtingen en nog nauwelijks zal drogen. Om de droging naar buiten toe te laten wordt de afdichting dan ook best niet te snel aangebracht.
De afdichting wordt geplaatst volgens punt 3.3.
3.2.2 Op geprofileerde vezelcementplaten
Het PIROTHERM-systeem wordt aangebracht op geprofileerde vezelcementplaten, die voorafgaand aan de uitvoering onderzocht worden op hun stabiliteit en waarbij desgevallend bijkomende voorzorgs-maatregelen worden genomen (b.v. plaatselijk ver-vangen van platen, versteviging onderstructuur, ...). De dakhelling zal £ 20° (of 35 %) bedragen.
Bovenop de geprofileerde platen wordt een verdeel-net (zie § 2.2.6) met overlapping gelegd, die onder-ling met metalen binddraad verbonden wordt.
De isolerende mortel, evenwel zonder isolerende opvulplaten, wordt aangebracht in een dikte van minstens 5 cm boven de goiftop gemeten.
De afdichting wordt geplaatst volgens punt 3.3.
3.3. Afdichting
Na 3 tot 10 dagen (in functie van de weersomstandigheden en van het afdichtingstype) verharden van de mortel mag de afdichting worden aangebracht als de bovenlaag voldoende droog is. De afdichtingen worden geplaatst zoals aangegeven door de fabrikatn van de afdichtingen.
Plaatsingswijzen
4. EIGENSCHAPPEN VAN HET PIROTHERM-SYSTEEM
4.1. Mechanische eigenschappen
Eigenschappen | Bepalingsmethode | Proefresultaat |
- druksterkte met ingewerkte isolatieplaten | > 0,10 N/mm² | |
- dwarstrekvastheid (kPa) na 28 dagen | EN 1607 | x |
- afpelweerstand van een afdichtingsmembraan gekleefd met bitumen (N/50 mm) na 28 dagen | EUtgb-afdichting | x |
- afpelweerstarid van een afdichtingsmembraan gekleefd met koudlijm (N/50 mm) na 28 dagen | EUtgb-afdichting | x |
- mechanische sterkte verdeelde belasting | EUtgb isolatie | klasse D |
Voor de windweerstand van het dakcomplex wordt verwezen naar de ATG van de afdichting of de richtlijnen vermeld in TV 183 van het WTCB.
Indien de bestaande afdichting (§ 4.2.1) los ligt, moet er in gevallen met luchtopen ondergrond (b.v. plankenvloer) en/of een zware windbelasting, ballast worden voorzien op de nieuwe afdichting, tenzij de bestaande afdichting mechanisch bevestigd wordt.
4.3. Thermische isolatie van het afgewerkt geheel
Onderstaande tabel geeft de R-waarden aan, berekend volgens de eindige elementenmethode zoals voorzien in EN-ISO 10211-1, en op basis van de volgende uitgangspunten
- dikte mortellaag (boven + onderzijde) : 0,055 m
- voegbreedte 3 cm tot 5 cm (in functie van de dikte)
- EPS : l = 0,040 W/m.K
- PUR : l = 0,030 W/m.K
- XPS : l = 0,030 W/m.K
Dikte Pirotherm-systeem | met EPS-platen | met PUR-platen | ||
| (m) | RUi(m²K/W) | RUe (m²K/W) | RUi (m²K/W) | RUe (m²K/W) |
| 0,075 | 0,85 | 0,78 | 0,99 | 0,91 |
| 0,085 | 1,06 | 0,99 | 1,26 | 1,17 |
| 0,095 | 1,27 | 1,19 | 1,53 | 1,43 |
| 0,105 | 1,48 | 1,39 | 1,79 | 1,69 |
| 0,125 | 1,89 | 1,78 | 2,32 | 2,19 |
| 0,145 | 2,31 | 2,18 | 2,85 | 2,70 |
| 0,165 | 2,71 | 2,57 | 3,36 | 3,20 |
| 0,185 | 3,13 | 2,96 | ||
| 0,205 | 3,39 | 3,19 | ||
| 0,225 | 3,79 | 3,56 | ||
| 0,245 | 4,18 | 3,93 | ||
| 0,265 | 4,55 | 4,31 | ||
| 0,285 | 4,96 | 4,67 | ||
| 0,305 | 5,36 | 5,03 | ||
| 0,325 | 5,52 | 5,14 | ||
| 0,345 | 5,86 | 5,52 | ||
| 0,365 | 6,24 | 5,86 | ||
| 0,385 | 6,62 | 6,19 | ||
| 0,405 | 6,99 | 6,57 | ||
| 0,425 | 7,39 | 6,92 | ||
| 0,445 | 7,76 | 7,25 | ||
| 0,465 | 8,09 | 7,61 | ||
| 0,485 | 8,44 | 7,92 | ||
De totale U-waarde wordt berekend volgens de berekeningsprincipes die uiteengezet zijn in EN 6946 Annex C.
4.4. Oppervlaktemassa van het afgewerkt geheel
De gemiddelde oppervlaktemassa van de Pirotherm-mortel met inbegrip van de isolatieplaten worden in de onderstaande tabel vermeld uitgaande van de volgende waarden:
- volumemassa Pirotherm-mortel (bij plaatsing) : 525 kg/m3
- volumemassa Pirotherm-mortel (na uitharding) : 435 kg/m³
- vol. massa EPS: 15 kg/m3 (dikte ³ 50 mm) en 20 kg/m3 (dikte < 50 mm)
- vol. massa PUR: 30 kg/m3
- vol. massa XPS : 30 kg/m3
Totale dikte (m) Pirotherm-systeem | Dikte (m) isolatieplaten | Oppervlakte gewicht (kg/m²) bij plaatsing | Oppervlakte gewicht (kg/m²) na uitharding |
0,075 | 0,02 | 30 | 25 |
0,085 | 0,03 | 31 | 26 |
0,095 | 0,04 | 32 | 27 |
0,105 | 0,05 | 33 | 28 |
0,125 | 0,07 | 35 | 29 |
0,145 | 0,09 | 37 | 31 |
0,165 | 0,11 | 39 | 32 |
0,185 | 0,13 | 41 | 34 |
0,205 | 0,15 | 43 | 36 |
0,225 | 0,17 | 46 | 38 |
0,245 | 0,19 | 48 | 40 |
0,265 | 0,21 | 51 | 43 |
0,285 | 0,23 | 54 | 45 |
0,305 | 0,25 | 57 | 47 |
4.5. Brandreactie